Het succes van gemeen goed

In zijn opiniestuk over e-mailverkeer (DS 25 januari) hanteert econoom Klaas De Brucker als kapstok de gekende theorie van the tragedy of the commons. Deze wordt inderdaad, meer dan veertig jaar na de formulering ervan door de bioloog Hardin in Science, nog altijd kritiekloos gebruikt in tal van economische handboeken. Nochtans is ondertussen aangetoond dat de analyse van Hardin, zowel wat betreft de gebruikte concepten als de historische gegevens, de toets van wetenschappelijke kritiek niet kan doorstaan. Ze hanteert foutieve uitgangspunten en kan leiden tot verkeerde conclusies. Zowel voor discussies op vlak van economie als van ecologie is het goed zich hiervan bewust te zijn. Niet alles wat we samen doen hoeft tragisch te zijn.

Waarover gaat het? De theorie van the tragedy of the commons baseert zich op de teloorgang van gemeenschappelijke gronden in het Engeland van de middeleeuwen. Zoals De Brucker het verhaal bondig omschrijft: 'alle weilanden waren vrij toegankelijk (gemeenschappelijk bezit). Elke herder kon er vrij zijn schapen laten grazen. Het resultaat was voorspelbaar. De schaapsherders kweekten steeds meer schapen en lieten die maar grazen op de gemeenschappelijke weilanden.' Waarna De Brucker tot de gekende conclusies komt: door overbegrazing verdween het gras, stierven de schapen uit en verloren de herders hun job. Waarop de wolverwerkende nijverheid en de winkels die de wol verkochten hun deuren moesten sluiten.

Privatisering

De historische basis van de analyse Hardin is ondertussen weerlegd. De Engelse 'gemene gronden' blijken helemaal niet teloor te zijn gegaan door overbegrazing, maar door privatisering. Machtige actoren omheinden de gemene gronden en eigenden zich zo het nut er van toe (enclosure of the commons).

Maar ook conceptueel blijkt de analyse niet te kloppen. Niemandsland, dat inderdaad vrij toegankelijk is en waar geen regels gelden, kan namelijk niet gelijk worden gesteld aan gemeenschappelijk bezit. Een verschil dat nochtans de Romeinen al erkenden in hun rechtssysteem met het onderscheid tussen res nullius en res communes. Het belang van dit onderscheid kan niet onderschat worden. In 2009 kreeg Eline Olstrom juist de Nobelprijs Economie voor haar werk over het specifieke van the commons. Zij toont aan dat gemeenschappen zeer goed in staat zijn om duurzaam te zorgen voor gemeenschappelijke goederen. Mensen en groepen gaan namelijk in dialoog over het beheer en komen tot gemeenschappelijke afspraken die ze ook afdwingbaar maken. De realiteit verschilt dus van de neoklassieke economische opvatting waar mensen eilanden zijn die niet met elkaar in dialoog gaan en enkel 'rationeel' bezig zijn met hun zelfbelang.

Om het concreet te maken met het klassieke voorbeeld: herders praten met elkaar over hoeveel schapen ze elk laten grazen, over de toekomst van het gras en hebben gemeenschappelijke afspraken wie er zijn schapen mag laten grazen. Ook buiten markt en staat zijn mensen in staat tot het duurzaam beheer van wat gemeenschappelijk is.

Dat de commons geen tragedie hoeven te zijn maar ook vandaag nog een krachtige vorm zijn van nieuwe ontwikkelingen toont de internet encyclopedie Wikipedia. Een bron waar ten andere zowel de originele analyse van Hardin, als alle latere geformuleerde kritieken, terug te vinden zijn.

(Deze tekst verscheen op 26 januari 2011 als opiniestuk in De Standaard)